Altai's bergketen schrijft zichzelf als sculptuur tegen grijze lucht, elke piek een studie in erosie, elke kam een lijntekening van sneeuw op steen. Blauw-wit vervaagt naar antraciet waar rotswand verticaal wordt.
Beneden ligt de steppe als verweerd tapijt: oker, umber, sienna, kleuren van dood gras en wachten. De horizon snijdt scherp tussen twee werelden: het horizontale van de vlakte, het verticale van de bergen. Hier is niets zacht; alles is geometrie van extremen, een landschap dat eist zonder te geven.